Tijdens graafwerken voor een ondergrondse parking in het dorpscentrum van Denderleeuw, werden twee slagtanden en enkele kiezen van een mammoet blootgelegd. De mammoettanden zijn vlakbij elkaar gevonden op een diepte van maar liefst 7 meter.
De slagtanden en de kiezen werden per toeval gevonden tijdens het graven van een funderingsput. “Op het moment dat de aannemer de tanden gevonden had, was SOLVA bezig met archeologische opgravingen rechtover de ingang van het Administratief Centrum op het stuk van de gemeente. Gelukkig hebben ze de vondst meteen gemeld, want daardoor kon SOLVA meteen overgaan tot conservatie. De tanden moeten namelijk zorgvuldig bewaard worden. Tijdens de conservatie worden de vondsten zeer traag gedroogd en behandeld zodat ze tegen de blootstelling aan de lucht en de bacteriën kunnen. Er wordt samen met de huidige eigenaar Bopro naar een oplossing gezocht waarbij de vondsten permanent kunnen tentoongesteld worden na de conservatie”, zegt schepen voor Erfgoed Marleen Van der Hoeven.
De diepte waarop de vondsten zitten, wordt nog maar zelden bereikt door werkzaamheden. “De kans om nog zo’n oude vondsten te vinden die zo diep in de ondergrond zitten, is heel klein. We hebben ons laten vertellen dat de meeste mammoetvondsten gevonden werden tijdens het rechttrekken van rivieren of het uitgraven van havendokken, waardoor de vondstomstandigheden niet altijd duidelijk zijn. Daarnaast maakt het feit dat de skeletresten van Denderleeuw mogelijk afkomstig zijn van hetzelfde dier de vondst bijzonder. We zijn dus heel aangenaam verrast door deze vondst”, zegt Burgemeester Fonck.
Wolharige mammoet
“De vondsten zijn voorlopig nog moeilijk exact te dateren, hiervoor is nog verder wetenschappelijk onderzoek nodig”, vertelt Bart Cherretté, coördinator onroerend erfgoed van SOLVA. “De twee slagtanden en de kiezen zijn waarschijnlijk afkomstig van een wolharige mammoet (mammuthus primigenius), een reus die in onze streken tijdens de laatste ijstijd leefde tussen 130.000 en 12.000 jaar geleden. Op basis van gelijkaardige vondsten zijn deze resten voorlopig tussen 40.000 en 30.000 jaar oud te dateren.”
Tijdens deze fase van de ijstijd vormden de Dender en de Schelde een zeer brede en diepe vallei, waarin de rivieren nog geen vaste bedding hadden. “Doordat de ondergrond zeer vaak bevroren is (permafrost) wijzigt de loop van de rivieren regelmatig waardoor een ‘vlechtend rivierstelstel’ ontstaat. Verschillende rivierarmen wateren daarbij in de breedte af in plaats van in één diepe rivierbedding, zoals nu het geval is. Perioden van hevige regenval of grote hoeveelheden smeltwater sleurden op die manier karkassen mee die overal op de toendra achter bleven. In uitzonderlijke gevallen, zoals wellicht in Denderleeuw, is het skelet van een mammoet niet verplaatst door rivieren, maar (deels) ter plaatse blijven liggen en bedekt met zand en leem tijdens de ijstijd”, aldus Bart Cherretté.