Toen schepen Veerle Mertens (Team Geraardsbergen) in januari 2025 bekendmaakte dat de renovatie van het Dokhuis op Den Bleek zou oplopen tot een bedrag van ongeveer 694.000 euro, zorgde dat in de stad voor heel wat verwondering. Voor een klein gebouw met een gelijkvloerse oppervlakte van amper 70 m² leek het prijskaartje voor velen bijzonder hoog, zelfs uitzonderlijk hoog in verhouding tot de schaal van het project.
Vandaag komt meer duidelijkheid over de gekozen aanpak en die nuanceert tegelijk, maar verklaart ook waarom de kost zo sterk oploopt: het stadsbestuur opteerde voor een zogenaamde casco-renovatie.
Casco-renovatie als duurste piste
Bij een casco-renovatie blijven enkel de buitenmuren van het bestaande gebouw behouden. Het volledige interieur – inclusief vloeren, trappen, binnenmuren, leidingen en technische installaties – wordt volledig verwijderd en opnieuw opgebouwd. Dat betekent in de praktijk dat de gevels moeten worden gestabiliseerd, dat er een nieuwe draagstructuur moet worden geïntegreerd en dat de nieuwe constructie technisch moet aansluiten op het behouden skelet van het gebouw.
Die werkwijze is technisch complexer dan een klassieke renovatie en benadert in sommige gevallen de kost van nieuwbouw, net omdat men zowel sloop- als heropbouwtechnieken combineert binnen een bestaande schil.
Volgens de stad zou deze aanpak gekozen zijn omwille van het behoud van het karakter en de bestaande gevels van het Dokhuis. Tegelijk zorgt die keuze er wel voor dat het prijskaartje aanzienlijk hoger ligt dan bij een volledige afbraak met nieuwbouw.
Vragen over alternatieven en kostenafweging
Net die hoge kostprijs roept bij sommige inwoners en waarnemers vragen op over de gevolgde besluitvorming. Zo wordt de vraag gesteld of er vooraf een grondige vergelijkende studie werd uitgevoerd tussen de verschillende mogelijke scenario’s: een klassieke renovatie, een casco-aanpak of een volledige nieuwbouw.
In zo’n afweging spelen normaal gezien niet alleen erfgoed- of esthetische overwegingen een rol, maar ook budgettaire efficiëntie, duurzaamheid op lange termijn en onderhoudskost. Critici vragen zich af in welke mate die elementen doorslaggevend zijn geweest in de uiteindelijke keuze.
Ook wordt gevraagd op basis van welke criteria precies werd beslist om niet voor een meer conventionele of mogelijk goedkopere oplossing te gaan, zeker gezien de beperkte schaal van het gebouw.
Discussie over participatie en betrokkenheid
Naast de technische en financiële aspecten is er ook discussie ontstaan over het verloop van het participatietraject rond Den Bleek dat al sinds 2019 loopt. Sommige stemmen uit de lokale gemeenschap stellen zich vragen bij de manier waarop verschillende actoren betrokken werden in dat proces.
Er wordt onder meer verwezen naar de aanwezigheid van een Gentse architect in de voorbereidende fase van het project, die volgens het traject ook een rol zou hebben gespeeld binnen een zogenaamde “actorengroep buurt en burgers”. Dat roept bij critici vragen op over de rolverdeling binnen het participatieproces en de mate van onafhankelijkheid van bepaalde adviezen.
De betrokken architect zou volgens die lezing niet louter als externe expert hebben deelgenomen, maar als vertegenwoordiger binnen een burgergroep, wat bij sommigen de perceptie wekt dat de grenzen tussen expertise, advies en burgerinspraak minder scherp waren.
Transparantie en vertrouwen als kernvraag
Hoewel er geen formele conclusies zijn over onregelmatigheden, blijft vooral de vraag hangen hoe transparant de besluitvorming rond het Dokhuis precies is verlopen. In een context waar publieke middelen worden ingezet, verwachten inwoners duidelijke en vergelijkbare onderbouwingen van keuzes die een aanzienlijke impact hebben op het budget.
De casus toont vooral aan hoe gevoelig renovatieprojecten kunnen liggen wanneer technische complexiteit, erfgoedwaarde en hoge kosten samenkomen. Wat voor de ene een noodzakelijke en kwalitatieve keuze is, wordt door de andere ervaren als een dure en onvoldoende onderbouwde beslissing.
De komende periode zal moeten uitwijzen of bijkomende toelichting vanuit het stadsbestuur voldoende is om de vragen die nu leven te beantwoorden en het vertrouwen rond het project verder te versterken.