Gewezen algemeen directeur van de stad Aalst Wim Leerman reageert op het recente persbericht van Stad Aalst over de beslissing van de Vlaamse minister om de gemeenteraadsbesluiten van 19 mei 2026 niet te vernietigen in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht. Volgens Leerman mag die beslissing niet worden voorgesteld als een volledige juridische vrijspraak of als een bevestiging dat de stad bij zijn ontslag geen procedurele fouten heeft gemaakt.
Leerman benadrukt dat de beslissing van de Vlaamse minister volgens hem vooral duidelijk maakt dat de juridische discussie over zijn ontslag nog lang niet is afgerond. De minister heeft immers niet geoordeeld over de rechtmatigheid en proportionaliteit van het ontslag om dringende reden. Die beoordeling behoort volgens de beslissing niet tot de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid, maar tot die van de arbeidsrechtbank.
“Ik neem kennis van de beslissing van de Vlaamse minister om de gemeenteraadsbesluiten van 19 mei 2026 niet te vernietigen in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht. Die beslissing sluit de juridische discussie over mijn ontslag niet af”, zegt Leerman.
Arbeidsrechtbank moet zich nog over dringende reden uitspreken
Volgens de gewezen algemeen directeur is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen het administratief toezicht door de Vlaamse overheid en de arbeidsrechtelijke procedure die nog moet volgen.
De minister heeft volgens Leerman uitdrukkelijk aangegeven dat de toezichthouder niet bevoegd is om te beoordelen of het ontslag om dringende reden juridisch gerechtvaardigd en proportioneel was. Dat betekent volgens hem dat de kern van het geschil nog niet werd beoordeeld.
“De minister zegt uitdrukkelijk dat de toezichthouder niet bevoegd is om de rechtmatigheid en proportionaliteit van het ontslag om dringende reden te beoordelen. Die kernvragen behoren tot de arbeidsrechtbank en zullen daar verder worden behandeld”, aldus Leerman.
Daarmee wil hij naar eigen zeggen vermijden dat de ministeriële beslissing wordt geïnterpreteerd als een inhoudelijke uitspraak over de geldigheid van zijn ontslag. De beslissing gaat volgens hem in de eerste plaats over het administratiefrechtelijke toezicht op de genomen gemeenteraadsbesluiten en niet over de volledige arbeidsrechtelijke discussie tussen hem en de stad Aalst.
Minister stelt volgens Leerman wel degelijk formele tekortkomingen vast
Leerman wijst er daarnaast op dat de beslissing volgens hem evenmin kan worden beschouwd als een bevestiging dat de stad Aalst de volledige procedure foutloos heeft doorlopen.
In de ministeriële beslissing worden volgens hem verschillende elementen aangehaald die vragen oproepen over de gevolgde procedure. Zo wordt onder meer vastgesteld dat de functie van “waarnemend secretaris” juridisch niet bestaat. Volgens de beslissing was het aangewezen geweest om de bestaande vervangingsregeling te volgen.
Ook bij de aanstelling van de waarnemend algemeen directeur werd volgens Leerman een formele tekortkoming vastgesteld. Het betrokken besluit werd volgens de minister door de verkeerde persoon medeondertekend. De Vlaamse overheid kondigt naar aanleiding daarvan een opmerking aan Stad Aalst aan.
“De ministeriële beslissing is bovendien geen volledige bevestiging dat Stad Aalst procedureel foutloos handelde. Zij stelt onder meer vast dat de functie van ‘waarnemend secretaris’ juridisch niet bestaat, dat het beter ware geweest de bestaande vervangingsregeling te volgen en dat het besluit over de aanstelling van de waarnemend algemeen directeur door de verkeerde persoon werd medeondertekend. De minister kondigt daarover een opmerking aan Stad Aalst aan”, zegt Leerman.
Volgens hem is dat een belangrijk nuanceverschil met de manier waarop de beslissing door de stad naar buiten wordt gebracht.
Ook privacykwestie blijft volgens Leerman openstaan
Naast de arbeidsrechtelijke en administratiefrechtelijke aspecten wijst Leerman ook op de discussie rond de verwerking en raadpleging van zijn persoonsgegevens.
Volgens hem werd ook die kwestie door de minister niet inhoudelijk definitief afgewezen. De beoordeling van de historische raadpleging en verwerking van zijn personeelsgegevens wordt volgens Leerman uitdrukkelijk verwezen naar de bevoegde instanties inzake gegevensbescherming, waaronder de functionaris voor gegevensbescherming en de Vlaamse Toezichtcommissie.
“Ook de privacyrechtelijke vraag over de historische raadpleging en verwerking van mijn personeelsgegevens werd niet ten gronde afgewezen. De minister verwijst die beoordeling uitdrukkelijk naar de functionaris voor gegevensbescherming en de Vlaamse Toezichtcommissie”, stelt hij.
Voor Leerman betekent dit dat ook op dat vlak nog verdere stappen mogelijk zijn en dat de ministeriële beslissing niet kan worden aangegrepen om alle juridische discussie definitief af te sluiten.
Kritiek op communicatie van Stad Aalst
De gewezen algemeen directeur is dan ook kritisch voor de communicatie die Stad Aalst aan de ministeriële beslissing heeft gekoppeld. Hij vindt dat het stadsbestuur de draagwijdte van de beslissing te ruim interpreteert.
“Ik betreur daarom dat Stad Aalst de beslissing in haar communicatie voorstelt als een volledige juridische vrijspraak en als bewijs dat er geen enkele procedurele fout was. Dat staat niet zo in de beslissing”, aldus Leerman.
Volgens hem is het belangrijk dat in een dossier met zowel arbeidsrechtelijke, administratiefrechtelijke als privacyrechtelijke aspecten zorgvuldig wordt gecommuniceerd over wat een beslissing wel en niet inhoudt.
De uitspraak van de Vlaamse minister betekent volgens Leerman bijgevolg niet dat alle vragen rond zijn ontslag zijn beantwoord. Integendeel: verschillende aspecten worden volgens hem nog voorgelegd aan andere bevoegde instanties.
Juridische stappen worden voortgezet
Leerman laat intussen weten dat hij samen met zijn advocaten de eerder in kaart gebrachte juridische stappen verderzet. In de eerste plaats wordt de arbeidsrechtelijke procedure voorbereid.
“Samen met mijn advocaten zet ik de al in kaart gebrachte stappen verder. De arbeidsrechtelijke procedure wordt weldra opgestart, tenzij de stad bereid is om hierover te spreken”, zegt hij.
Daarnaast wordt volgens hem ook het administratiefrechtelijke en gegevensbeschermingsrechtelijke vervolg verder onderzocht. Daarmee lijkt het dossier rond zijn ontslag voorlopig dus nog niet afgesloten.
Toch benadrukt Leerman dat hij niet uit is op een verdere escalatie van het conflict met het stadsbestuur. Hij zegt bewust te willen kiezen voor een rustige en juridisch onderbouwde aanpak.
“Ik blijf daarbij kiezen voor een feitelijke, serene en juridisch onderbouwde aanpak. Ik wil hierbij geen ruzie maken met de stad en een paar van haar protagonisten. Ik ijver enkel voor een faire en rechtvaardige behandeling, wat ik niet heb gekregen”, besluit de gewezen algemeen directeur.
De komende periode zal moeten blijken of Stad Aalst en Leerman alsnog tot een gesprek of regeling kunnen komen, dan wel of de verschillende juridische procedures effectief worden voortgezet. De ministeriële beslissing over het bestuurlijk toezicht vormt daarmee volgens Leerman niet het eindpunt van het dossier, maar eerder één onderdeel van een veel bredere juridische discussie over de omstandigheden en de rechtsgeldigheid van zijn ontslag.

