Zestig-twee lokale besturen – waaronder steden, gemeenten, OCMW’s, ziekenhuizen, politiezones en hulpverleningszones – stappen gezamenlijk naar het Grondwettelijk Hof tegen een federale regeling rond de financiering van de lokale pensioenlasten. Ze betwisten een systeem dat volgens hen leidt tot een ongelijke behandeling tussen lokale besturen die nochtans bijdragen aan hetzelfde pensioenfonds en vergelijkbare verplichtingen dragen.
Via de campagnewebsite www.11u55.be wordt het dossier verder toegelicht, samen met de juridische argumentatie en de mogelijke impact op de lokale besturen. De kern van het conflict is duidelijk: dezelfde pensioenlast, maar een verschillende federale ondersteuning.
Gelijke pensioenlast, ongelijke federale steun
Alle betrokken besturen dragen bij aan het Gesolidariseerd Pensioenfonds voor hun vastbenoemde personeelsleden. Daarbovenop betalen zij jaarlijks de zogenaamde pensioenresponsabiliseringsbijdrage, die zwaar doorweegt op lokale budgetten.
Met de wet van 18 december 2025 voorziet de federale overheid echter in een gedeeltelijke financiële compensatie van die bijdrage. Die steun wordt uitsluitend toegekend aan lokale besturen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is in een stad of gemeente met meer dan 100.000 inwoners.
Daardoor ontstaat volgens de verzoekende partijen een fundamenteel probleem: besturen met een vergelijkbare pensioenfactuur worden verschillend behandeld, niet op basis van hun financiële situatie, maar louter op basis van hun geografische ligging en bevolkingsgrootte.
Zelfde pensioenlast, andere behandeling
De 62 besturen benadrukken dat hun bezwaar niet gaat over het principe van steun aan grootsteden. Zij erkennen dat grote steden geconfronteerd worden met specifieke sociale en financiële uitdagingen. Hun kritiek richt zich op het mechanisme van de steun zelf.
Een stad met 99.999 inwoners kan volgens de huidige regeling geen aanspraak maken op federale tussenkomst, terwijl een stad met 100.001 inwoners dat wel kan – zelfs wanneer beide besturen een gelijkaardige pensioenlast torsen.
Volgens de betrokken besturen is er geen objectieve rechtvaardiging voor dit onderscheid. De pensioenverplichtingen vloeien immers voort uit tewerkstelling en statutaire personeelsstructuren, niet uit bevolkingsaantallen.
Geen tegenstelling tussen steden en gemeenten
De initiatiefnemers benadrukken dat deze procedure niet mag worden geïnterpreteerd als een conflict tussen grote steden en kleinere gemeenten.
Integendeel: zij stellen expliciet dat zij geen bezwaar hebben tegen extra ondersteuning voor grootsteden. Het debat gaat volgens hen niet over solidariteit, maar over gelijkheid en coherentie in federale financiering.
De centrale vraag blijft volgens hen eenvoudig: Waarom zou eenzelfde pensioenfactuur anders behandeld worden afhankelijk van de locatie van het bestuur?
De verzoekende partijen stellen dat federale tussenkomsten voor pensioenlasten objectief, transparant en rechtstreeks gekoppeld moeten zijn aan de effectieve pensioenverplichtingen van een bestuur.
Juridische gronden en kritiek van adviesorganen
De 62 besturen baseren hun procedure op het principe van gelijke behandeling van vergelijkbare situaties. Zij voeren aan dat de huidige regeling in strijd zou kunnen zijn met grondwettelijke beginselen, omdat ze geen objectieve en redelijke verantwoording biedt voor het gemaakte onderscheid.
Daarnaast wijzen de betrokken besturen erop dat ook de Raad van State in zijn advies ernstige vragen stelde bij de motivering van de federale regeling. Die opmerkingen zouden vooral betrekking hebben op de keuze om het inwonersaantal als doorslaggevend criterium te hanteren voor financiële compensatie.
De zaak wordt nu voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, dat zal moeten oordelen of de wet standhoudt tegenover de grondwettelijke gelijkheidsprincipes.
Doel van de procedure
De verzoekende partijen vragen het Grondwettelijk Hof om de betrokken wetsartikelen te vernietigen. Concreet eisen ze dat de federale tussenkomst niet langer beperkt blijft tot grote steden, maar wordt uitgebreid naar alle lokale besturen die bijdragen aan het Gesolidariseerd Pensioenfonds.
Hun voorstel is helder: ondersteuning moet vertrekken vanuit de pensioenlast zelf, niet vanuit administratieve of demografische criteria. Volgens de initiatiefnemers zou dit leiden tot een meer rechtvaardige en consistente verdeling van federale middelen.
Besluit
De gezamenlijke stap van 62 lokale besturen legt een structurele discussie bloot over de financiering van lokale pensioenen in België. Wat op het eerste gezicht een technische budgettaire maatregel lijkt, raakt in werkelijkheid aan een fundamenteel principe van bestuur: gelijke behandeling van gelijke situaties.
De uitkomst van de procedure voor het Grondwettelijk Hof kan daarom niet alleen financiële gevolgen hebben, maar ook een bredere impact op de manier waarop federale steun aan lokale besturen in de toekomst wordt georganiseerd.
Of de huidige regeling standhoudt, zal uiteindelijk afhangen van de vraag of het inwonersaantal een juridisch aanvaardbare basis vormt voor een verschil in behandeling van identieke pensioenverplichtingen.

